Het is mijn tuin niet meer. De tuin is nu van velen. Ze komen van over heel de wereld. Lopen door mijn tuin. Met hun camera’s. Met hun reisgidsen. Ik zie ze. Al die kleurtjes die cirkelen langs mijn vijver, krioelen in de smalle kronkelpaadjes, elkaar verdringend op mijn brug. Het is mijn brug niet meer. Maar ik zie ze. Mijn handen zijn blind. Mijn pencelen onzichtbaar. Ik kan alleen nog kijken. En ik kijk. Zittend op mijn steiger. En schilder met mijn ogen.

Er is veel veranderd de laatste honderd jaar en tegelijkertijd niks. De tuinmannen zijn er nog steeds. Of beter gezegd ze zijn er weer en scheppen net als vroeger het blad uit de vijver. De tuin die hier nu ligt is min of meer zoals de tuin toen was, maar hij is tussendoor dood geweest. Toen liep ik hier alleen. Door het zwarte brak, en woekerde wat rond, jarenlang.Wat mij betreft had de tuin gewoon dood mogen blijven, met mij in de aarde mogen verdwijnen, maar het is mijn tuin niet meer. De tuin is tegenwoordig van wie ik was. En het verleden behoort het nu. En het nu wil een levende tuin. Een tuin als een schilderij dat niet vergaat. Een schilderij waarin de wereld pootje kan baden, zich onder kan dompelen in wat ik was. Ik heb daar niks over te zeggen. Ik wandel met onzichtbare voeten over nieuw betegelde paden en kijk hoe het verleden verworden is.

De toeristen zijn als bloemen. Als de tulpen, de rozen, de passiebloemen, komen zij uit alle windhoeken, oud, jong. Zij zijn allemaal kleur in mijn tuin. Ze laten elkaar geduldig passeren, wachten tot ook zij op de foto kunnen met dat wat ze hier brengt: het water te midden van alles, waar de waterlelies tronen op de hemel. Het water is als een drinkplaats hier in Giverny en trekt mensen aan van overal ter wereld. Zoveel spraken, zoveel kleuren. Het is net een biggentrog denk ik wel eens gekscherend, waaraan de heel mij-minnende wereld zich te drinken legt.

Ik heb drie seizoenen toeristen. In de lente komen zij met hun paraplu's en hun regenjassen. In de zomers half bloot, licht en zwetend in mijn tuin, schuifelend van donker naar licht, en in de herfst de sjaals, gekleed in goud en bruin en vallend blad. Daarna heb ik de tuin voor mij alleen, wanneer de lelies slapen onder het ijs.

In de winter werk ik niet. In de winter denk ik. Ik heb maar weinig gemaakt denk ik soms. Toen. Altijd te weinig. Maar ik heb gemaakt wat ik kon. Wat de zon mij toestond. En het is bijzonder hoe ik nu, jaren later nog steeds even oud, langer heb gekeken, meer heb gezien, anders schilder.

Dat de vijver het hart van mijn tuin was zag ik vroeger niet. Het water was een uitgang naar de hemel. Een manier om mijn tuin te openen naar het universum. Ik keek naar het water en de wolken in het water en wat ik zag waren kleuren, die in elkaar oplosten, verf werden. Maar nu, in dit nu, in dit blinde Zijn is de vijver een bron, een kloppend hart dat niet alleen waterlelies voedt, maar een bron van leven vanuit waar de rest van mijn tuin, alle kleuren, bloemen, planten en toeristen groeien.

En ja. De reflectie die ik vroeger zag, die de wolken tussen de waterlelies plaatsten, de vissen in de lucht deed zwemmen, die zie ik nog steeds. Maar onder die hemel zie ik nu ook het zwart. Het zwart van het wateroppervlak, dat bij heldere lucht glanst als een sterrenhemel en de wolken, het licht en de zon weerkaatst.

Ik schilder veel zwart nu. In dit nu. Het zwart in verschillende gedaanten tussen alle kleurtjes. Het is het zwart van de rijpe aarde, gevuld met wormen, insecten, larven. Kleine beestjes die later de zon zullen zoeken, zoals ik hem eerder zocht. Het zijn schilderijen die ik nooit heb kunnen schilderen, maar nu kan ik het. Misschien valt het me ook nu pas op. Nu ik hier ben, aan deze kant van het water, dat zwart. Het zwart onder de bladeren, het zwart waar vanuit het groen groeit en dat de kleuren draagt.

En dan is er het zwart in de lucht. Vooral op warme zomerse dagen stikt het ervan, op de grens van licht en donker: de zwermen vliegen. Met duizenden zijn ze hier. Ik heb ze altijd gezien, toen al. ze stoorden me tijdens het werk. Kleine zwarte stipjes die mijn concentratie vertroebelde, als het herfstblad in mijn vijver dat mijn tuinman er elke ochtend uit schepte. En nu vind ik het prachtig. De wolkjes zijn als de mistwolken boven de Themes, de stoomwolken in de nok van St. Lazare. Maar dan zwart, en gewoon hier in mijn tuin. Het is mijn tuin niet meer. Maar het is mijn tuin. En het is dit vliegend zwart dat mijn tuin bij elkaar houdt. Ik heb het bekeken. Ik heb er de tijd voor gehad. Ik heb gezien hoe het zwart zich te goed doet aan dat wat dood is, hoe het stront en dood dier weer in lucht verandert. Het is prachtig. Misschien interesseren ze me ook daarom. Omdat ze zich voeden aan wat was. Die kleine stukjes zwart, en dan, als je goed kijkt, zie je dat het zwart niet zwart is, maar donker groen of goudbruin, glanzend of fluweel, met prachtige patronen en diamanten ogen, en dat het zwart, al dat vliegend zwart op microscopisch formaat een tuin bevat, met kleuren en bloemen en blad. En die tuin schilder ik, dat onzwarte zwart, dat als penseelstreken danst en zweeft voor mijn blinde ogen.

Mijn gasten zien het niet. Zij zoeken naar schilderijen in mijn vijvers, naar een werkelijkheid die zij kennen. Ik neem ze niks kwalijk. Mijn toeristen zijn gekleed in kleuren. Ze kijken met blauwe en groene en bruine ogen, en zoeken zichzelf in alles wat hier bloeit. Ze leven en kleden zich in rood, blauw en groen, en zijn niet, zoals ik gekleed in onzichtbaar zwart.

Mijn zwart wacht nog op hun ogen.


Martijn in 't Veld - 2016